apnermeij-header

K O R T   V E R H A A L

V R O E G E R   W A S   A L L E S   B E T E R

Twee kinderen op een fiets schieten rakelings langs haar, een jonge vrouw keurt haar amper een blik waardig. Ook de nette zakenman heeft haar kreet om hulp niet gehoord, of is hij oost-indisch doof? Een laatste passant verdwijnt zo onopvallend mogelijk in een winkel. Dan zijn we alleen over op straat, de oudere dame en ik. Ik loop met versnelde pas naar haar toe en zie direct wat er aan schort. Het zijn de wieltjes van de rollater, ze zijn blijven steken. Twee centimeter hoogteverschil tussen de kinderkopjes en een putdeksel: een enorm obstakel voor een krachteloze bejaarde. Haar handen trillen als ik het wagentje over de Mount Everest til.

‘Hou hem tegen’, stamelt ze. Ook zonder die opdracht begrijp ik direct wat ik moet doen. Snel plaats ik mijn voet voor de onderuit rollende wieltjes. Als een hellende strijkplank staat ze nu tegen de rollator geparkeerd. Haar knoestige vingers omklemmen de handvaten alsof ze deze nooit meer los gaat laten. Als het niet zo schrijnend was, zou het komisch zijn: twee mensen uit totaal verschillende werelden die niet voor- of achteruit kunnen.
‘Het zijn de keien’, zegt ze zonder me aan te kijken. Steeds heviger begint ze te trillen, Het is een driewielrollator zonder zitbankje en ik besef dat we vooruit moeten, wil ze ergens op adem kunnen komen.
‘Gaat het lukken?’, vraag ik. Zonder dat ik antwoord krijg, wagen we het erop. Met mijn linkerhand hou ik haar rollator in balans, met mijn andere hand zorg ik voor steun. Chaotisch zwieren we door de straat. De wieltjes rammelen over de kinderkopjes, ze draaien rondjes om hun as van ontreddering. Huisnummer twaalf, huisnummer tien, huisnummer acht, het einde is in zicht.

Als ik haar op de hoek van de straat aflever, op vierkant grijze stoeptegels die naar mijn inschatting weinig problemen zullen opleveren, blijkt mijn optimisme voorbarig. Opnieuw glijdt het wagentje onderuit, opnieuw biedt mijn voet redding en opnieuw staat ze daar – ditmaal hangend aan de handvaten, leunend met haar knieën op het plaveisel, niet langer een strijkplank maar een gespannen holle boog.
Ik merk dat ze steeds verder doorbuigt en ik begin dan ook aan haar te sjorren, met de bedoeling haar rechtop te krijgen. Het resultaat is er naar. Ze staat overeind.
‘Ik denk dat het beter is als we de yoga achterwege laten’, zeg ik. ‘Waar moet u naartoe?’
Ik krijg de naam door van een verzorgingsflat die zich schrikbarend veel stoeptegels hier vandaan bevindt. Op haar teken rollen we verder.

‘U bent de eerste die stopt’ – ze kijkt me kort aan, zodat ze de controle over de rollator niet verliest.
‘Dat hoor je vaker’, zeg ik. ‘Soms lees je in de krant dat iemand op straat gewond is en dat dan niemand iets doet. Ik denk dat mensen te bang zijn om te helpen.’
‘Ik hou het op de onverschilligheid van de jeugd’, zegt ze. ‘Zoals ze zich kleden, wat ze muziek noemen. Het is allemaal onverschilligheid. Dat was in mijn tijd wel anders.’
Ik voel een vroeger-was-alles-beter-discussie opkomen, eigen gemaakt door ouderen van alle eeuwen. Vroeger was alles niet beter. Vroeger was er onbegrip, armoede en geweld, net als nu maar dan erger. Vroeger werden in ons land oorlogen uitgevochten, mensen als slaaf verhandeld, etnische minderheden vervolgd, andersdenkenden gemarteld, homo’s geëxecuteerd en vrouwen onderdrukt. Mensen in vorige eeuwen hadden ook een veel grotere kans voortijdig dood te gaan door geweld, ondervoeding, slechte werkomstandigheden, slechte hygiëne of ziekte. Ik hou deze gedachte voor me, want ze gaat er niet op door. Ze klaagt over de hitte.
‘Ja, het is warm’, zeg ik. ‘En u bent daar niet op gekleed. Zo’n lange winterjas, ik vind het niet gek dat u bijna het loodje legt.’
Ze lijkt het niet te horen, haar hele aandacht gaat uit naar de volgende tegel.
‘Zitten moet ik. Zitten, anders ga ik vallen.’

Ik ondersteun haar iets beter en kijk hulpbehoevend om me heen. We staan nog steeds rechtop, maar we zijn definitief tot stilstand gekomen, midden op een doorlopende stoep bij een ongelijkwaardige kruising. Een auto rijdt met een boog om ons heen, fietsers gaan achterlangs, nergens een bankje te bekennen. Als ik een hand vrij had, zou ik voldoende steun kunnen bieden, maar dan moet ik de rollator laten gaan. Ze voelt zo knokig, zo breekbaar en ik heb hier geen ervaring mee.
Als ze begint te smelten, is er geen keuze meer, ik laat de rollator gaan. Met beide armen omarm ik haar, zodat ze niet valt. Ik zie mensen, tien, vijftien personen, wachtend bij een bushokje. Sommigen kijken schaapachtig toe hoe de rollator over het wegdek voorbij rolt, anderen kijken hoe we in een innige danshouding staan verstrengeld.

Der schönen blauen Donau van Johan Strauss junior klinkt in mijn gedachten; rechtervoet vooruit, twee naar links, linkervoet naar achteren, twee naar rechts, en weer opnieuw. Pom-pom-pie-tie-dom, pom-pom, pom-pom; sneller en sneller, een Weense wals in de hoogste versnelling. Mijn geliefde en ik, in stel me zo voor dat we als een tornado tussen het ontregelde verkeer dansen, over de kaaien, langs terrassen vol verbaasde mensen, naar het bordes van het stadhuis waar we trouwen voor een dag. Pom-pom-pie-tie-dom, pom-pom, pom-pom. Bij het slotakkoord vergaat ze tot stof.

Reggaemuziek haalt me terug naar de realiteit. Twee jongeren komen aangesneld vanuit een coffeeshop. Degene met de tatoeage en piercings neemt de rollator onder zijn hoede, de kaalkop met de afhangende legerbroek en het metalshirt steunt haar bij de andere arm.
‘Gaat het mevrouw?’
‘Komt u hier maar naartoe, we hebben een stoel buiten gezet.’
Tussendoor vragen ze of ik haar ken. Dan zit ze eindelijk, op een houten stoel voor de coffeeshop.
‘Heeft u iets nodig? Moeten we iemand bellen?
Onder de walm van hasj en wiet krijgt ze een glas water krijgt aangereikt.

© Apner-Meij – Dit is een waar gebeurd verhaal.

Advertenties