apnermeij-header

K O R T   V E R H A A L

1 9 1 6  –  D E   O V E R T O C H T

In de zwarte diepte naast me, hoor ik hoe de golven op de rotsen beuken. De wind blaast me bijna van de klif. Om de zeven seconden is er oogverblindend licht, het volgende moment ben ik weer in duisternis gehuld. Als de lamp opnieuw mijn kant op schijnt, lees ik vluchtig het adres op het briefje. Hein had me niet verteld dat ik bij een vuurtoren moest zijn.

In de luwte onderaan het ronde gebouw fatsoeneer ik de haarlok die vanonder mijn kapje voor mijn gezicht is gewaaid. Ik trek mijn schort recht over mijn lange zwarte jurk en controleer met mijn vingers of het wit kanten boordje rond mijn nek nog netjes zit.
In de duisternis tast ik naar de bel. Hij klingelt vals. Een zeeman met bakkebaarden en zware wenkbrauwen trekt de deur open. Hij heeft een gaslantaarn in zijn hand en ziet er vijandig uit. Geschrokken deins ik achteruit. De man draagt een pet en een schippersvest, daaronder een versleten katoenen broek met laarzen. Vanaf hier ruik ik de sterke drank en zijn pruimtabak. Dan pas valt me op dat hij langs me heen kijkt. De man buigt voorover en kijkt links en rechts naar buiten, alsof hij iemand anders had verwacht.

‘Kom binnen’, bromt hij en hij houdt de deur voor me open. ‘Je bent de eerste.’
Langs zijn dikke buik wurm ik me naar binnen. Achter me valt de deur dicht.

In de beslotenheid van de vuurtoren is het broeierig warm in vergelijking met buiten. In het midden van de ruimte staat een gietijzeren stoofkachel op vier poten, met een lange pijp door de ronde buitenmuur. De vuurtorenwachter heeft er zijn avondmaal op staan: sterk geurende bruine bonensoep met ui en stukjes brood. Ik kan me niet heugen hoe lang geleden ik gegeten heb, toch voel ik geen trek. Als ik me warm aan de kachel, voel ik aan de tinteling in mijn wangen dat ze rood zijn van de kou.
De man loopt me bijna omver als hij de pan van de stoof pakt, een bord opschept en aan de krakkemikkige houten tafel gaat zitten. Al die tijd spreekt hij geen woord. Hij doet of ik niet besta en biedt me zelfs geen stoel aan. Met een arm om het bord gevouwen, lepelt hij de bonen naar binnen.

‘Bent u Janus?’, vraag ik als hij klaar is. De man trekt zijn laarzen uit en zwiept zijn voeten op tafel. Direct grijpt hij naar een fles en kolkt de whisky naar binnen.
‘Ik had uw adres doorgekregen van Hein’, zeg ik. ‘Ik heb een ongeluk gehad. Er was een ziekenhuis met lange gangen en metalen bedden. Sommige patiënten waren vastgebonden aan hun bed. Overal om me heen was bloed en pijn. Bij mijn buurman werd een been afgezaagd. De dokter had het te druk met de gewonde soldaten uit de loopgraven om zich om mij te bekommeren. Hij weigerde me te woord te staan, toen ben ik maar weggegaan. Luistert u naar mij?’
De vuurtorenwachter staat op en loopt naar de kachel. Met de kolenschop schuift hij nieuwe briketten in het luik en gaat weer aan tafel zitten. Het valt me op dat hij geregeld naar een klok kijkt, bovenop een plank. Een vreemde gewoonte want de klok staat stil. Dan zet hij het weer op een zuipen.
‘Hein heb ik ontmoet op straat. Als hij lacht heeft hij kuiltjes in zijn wangen. Ik denk dat ik verliefd op hem ben’ – waarom vertel ik dit aan een wildvreemde?
‘Liefst wil ik in Heins armen slapen. Op een dag was hij zomaar vertrokken. Het enige wat hij had achtergelaten was een briefje met dit adres en uw naam. Het lag onder een koperen muntstuk. Sindsdien dwaal ik maar wat rond. Iedereen lijkt me te negeren, ik zal er wel uitzien als een zwerver.’
Ik graai in de zak van mijn schort en haal Heins muntstuk eruit om het aan Janus te laten zien; misschien om te bewijzen dat Hein werkelijk bestaat, misschien om mezelf daarvan te overtuigen. Janus lijkt zich er niet om te bekommeren. Ineens begint hij luidkeels te zingen.
‘My Bonnie lies over the ocean’, zingt hij. ‘O bring back my Bonnie to me, to me.’

Als ik me in de schommelstoel in de hoek laat zakken en zachtjes heen en weer begin te schommelen op de maat van zijn zeemanslied, staakt hij zijn gezang. Met een schuin oog kijkt hij in mijn richting. Dan gaat hij verder met zingen.
Het kan niet anders: deze man heeft ze niet meer op een rij. Waarom negeert hij me? Waar kent Hein hem van? Is Hein zijn zoon?

Dan staat Janus op, trekt zijn laarzen weer aan en klimt met een lantaarn in de hand een gietijzeren trap op, naar de bovengelegen verdieping.
‘Waar gaat u heen?’ In paniek klim ik achter hem aan. Ik wil niet alleen gelaten worden, niet weer.
We gaan hoger en hoger, tot hij een luik boven zijn hoofd opent. De kou van de nacht waait me tegemoet. Snel klim ik achter hem aan door het luik. Ik moet mijn ogen toeknijpen tegen het felle licht.

We staan op de ronde vlonder bovenaan de vuurtoren. In het midden staat een gigantische glazen stolp met een metalen dak. Het vuurtorenlicht zwaait vlak over onze hoofden door de nacht. Aan de ene zijde zie ik het glooiende landschap dat spookachtig oplicht als de lichtbundel er langs glijdt, aan de andere zijde is de zwarte oceaan. Als ik over de roestige reling omlaag kijk, slaat de schrik me om het hart. Rondom de vuurtoren hebben zich tientallen mensen verzameld. Hun gezichten zijn onherkenbaar van bovenaf. Ze zijn op het licht afgekomen als motten om een brandende kaars. Wat komen ze hier doen?

Onverwachts haalt Janus een hendel omlaag, waarna het draaiplateau in het midden stilvalt. In het verlengde van de lichtbundel zie ik een driemaster op zee, deinend op de golven. Janus draait aan een wiel. Het vuurtorenlicht dooft en het is aardedonker om ons heen.
Als mijn ogen gewend zijn, zie ik het licht van Janus’ lantaarn. Hij klimt alweer omlaag door het luik.
‘Wacht!’, gil ik. ‘Er is een zeilschip. Het ligt vlak voor de klif, de lamp moet weer aan!’
Janus negeert me, hij daalt af naar beneden. Waarom doet hij dat? Wil hij soms dat het schip op de rotsen loopt? Even aarzel ik. Moet ik hem volgen of kan ik zelf de vuurtoren in werking zetten? Heb ik daar de kracht voor? Weet ik hoe ik de vlam moet ontsteken? Na een kort moment van bezinning besluit ik achter hem aan te gaan om hem te overtuigen.

Beneden heeft Janus een lange jas aangedaan. De kraag heeft hij rechtop gezet om de wind te trotseren. Met een gaslantaarn in de hand stapt hij naar buiten.
We wurmen ons door de mensenmassa heen. Overal zie ik gezichten die ons aanstaren; angstige gezichten, gezichten vol pijn en afschuw, hier en daar iemand die opgelucht kijkt. De meesten zijn jonge soldaten uit de loopgraven, maar er zijn ook burgers: een oudere man van adellijke komaf, een wasvrouw met een bebloed schort, een zevenjarig meisje in een kanten jurk met pop.
‘Het is tijd’, murmelt de vuurtorenwachter. Hij loopt naar de rand van de klif en schijnt bij waar het pad begint. Via uitgehouwen treden in de rots gaat hij omlaag. Ik loop als eerste achter hem aan, de anderen volgen.
Als we beneden op het kiezelstrand aankomen, zie ik in het flauwe licht van de maan dat het schip naderbij is gekomen. De rafelige zwarte zeilen steken scherp af tegen de donkerblauwe hemel. Het valt me op dat de laatste wolken verdreven zijn. De hemel is vol sterren.

Vanaf het schip komt een sloep aanvaren. Op de voorplecht staat een man in een regenpak met een capuchon over zijn hoofd. De sloep lijkt uit zichzelf tegen de wind in te gaan, nergens zijn roeiers te bekennen. Naast me zie ik hoe Janus met zijn lantaarn zwaait, om de schipper in de juiste richting te leiden.
Wanneer de sloep aan land komt, hoor ik Janus de naam Charon fluisteren. Dan loopt hij weg, terug naar de klif. Even twijfel ik of ik met hem mee moet gaan, terug naar de vuurtoren. Als ik me omdraai staat de schipper voor mijn neus. Zijn gelaat is onzichtbaar onder de capuchon. Hij houdt een hand op. Intuïtief graai ik in de zak van mijn schort, haal de koperen munt tevoorschijn en druk deze in zijn handpalm. Als ik naar de plek kijk waar zijn ogen horen te zitten, zink ik weg in een onmetelijk zwarte leegte. Waar de leegte is, daar hoor ik te zijn.

© Apner-Meij

Advertenties