apnermeij-headersticker-2195sticker-495

R O M A N

L I L I N G

Het Aziatische boerendorp waar de 16-jarige Liling woont, wordt wreed verstoord door troepen van de Keizer. Als blijkt dat de soldaten specifiek naar haar op zoek zijn, verstopt Liling zich achter de herberg. De soldaten proclameren op het dorpsplein dat Liling een rebel en een verrader van het Keizerrijk is. Ze executeren willekeurig een paar boerendochters, met als eis dat de dorpelingen haar uitleveren.

Tijdens haar vlucht komt Liling erachter dat ze is voorbestemd om een profetie te vervullen die het Keizerrijk op zijn grondvesten zal doen schudden. Ze wordt bijgestaan door de mysterieuze samurai Yorimoto Totoro en de monnik Ti Kuan Yin. Onderweg treffen ze een verwoestend spoor van dood en verderf aan, achtergelaten door de soldaten in hun zoektocht naar het meisje van de profetie.

Het verhaal speelt zich af in een fictieve, middeleeuws-Aziatische setting (geïnspireerd op Japan en feodaal China). De legenden, sprookjes en het filosofisch gedachtengoed uit Lilings wereld zijn in losse hoofdstukken door het verhaal verweven. Het boek is het eerste deel in een cyclus, maar heeft een eigen afronding en einde.

  

Genre: low fantasy, roman
Doelgroep: volwassenen die van avonturenromans en van Oosterse filosofie houden
Uitgeverij: Pumbo
Aantal pagina’s: 690 (in gedrukte vorm, paperback 145 x 210 mm)
Prijs paperback: 21,95 euro (= 1,90
euro verdiensten voor de auteurs)
Prijs PDF: 4,95 euro (= 2,50 euro verdiensten voor de auteurs)

Grijze lijn

F R A G M E N T   L I L I N G

    ‘Het is een Burukai! Zie je dat? Een Burukai!’
‘Burukai?’
‘Kijk naar zijn harnas!’
De mannen keken met grote ogen naar het gele symbool van de Zonnedraak en deinsden verder achteruit. De oudste onder hen knielde en boog zijn hoofd.
‘Vergeef ons heer, we wisten het niet. Alleen oudjes zoals ik herkennen de insignes. Het is zeker tien jaar geleden dat we iemand met uw status hebben mogen ontvangen in Xefan.’
    De Burukai stopte vloeiend zijn katana terug in de saya en stapte naar voren, waarop alle mannen zich rap uit de voeten maakten, op de oude man na. Deze stond op en boog nog eens plechtig voor de Burukai.
‘Ik zal u naar binnen begeleiden en de waard op de hoogte stellen, zodat u zich kunt verfrissen heer. U zult wel een lange reis achter de boeg hebben. Xefan ligt niet bepaald op de doorgaande route. Feitelijk is het de rand van de wereld, voor de wildernis begint.’

Kaart-Keizerrijk

    De oude man ging zijn gast voor en opende nederig de krakende houten voordeur van de herberg. Even leek de Burukai te aarzelen. Hij keek met een frons naar de modderige aarde, die zonder onderbreking overliep van buiten naar binnen, en negeerde vervolgens alle gangbare etiquetten door met zijn laarzen aan naar binnen te lopen. De Burukai moest bukken om de herberg te betreden. In vergelijking met de plaatselijke bevolking leek hij reusachtig.
    Binnen overviel hem de warmte; geen gezellige warmte, eerder broeierig en bedompt. Het rook er naar verschaalde drank, pis en oud zweet. Zijn binnenkomst zorgde voor een onderbreking van het rumoer. De smoelwerken van een tiental dorpelingen gaapten de vreemdeling aan, waarna zij ongegeneerd met elkaar begonnen te smoezen in een onverstaanbaar dialect. De Burukai bestudeerde de aanwezigen uitvoerig – waarbij sommigen angstig het hoofd bogen – en liep naar de toog. Hij deed dit op statige wijze, al viel daaruit niet op te maken of hij dit deed om te imponeren of dat het rieten harnas hem zijn bewegingsvrijheid ontnam tussen de benauwd opgestelde krukjes en tafels. Achter hem deed de oude man de deur dicht. Hij haastte zich terug naar het hoge gezelschap.

    ‘Gaat u toch zitten heer’ – de oude man bood zijn gast een laag krukje aan.
‘Een kruk?’ – de Burukai keek met een moeilijk gezicht op het meubelstuk neer.
‘Het spijt ons zeer dat we u geen fatsoenlijke zitplaats op de grond kunnen aanbieden’, zei de oude man. ‘De onderkant van ons dorp is nogal drassig, zoals u overal kunt zien. Tatamimatten zuigen zich direct vol water – ze rotten binnen een week weg – en voor planken hebben de meesten geen geld, zeker die gierigaard van een waard niet. U zult zien dat zo’n verhoogde zitplaats zo slecht niet zit, vooral als u er eenmaal aan gewend bent de voeten plat op de grond te houden.’
    De Burukai bleef staan, laatdunkend neerkijkend op het krukje dat hem was aangeboden. Hij leek geen aanstalten te maken erop plaats te nemen. De oude man praatte er snel omheen.
‘U bent net op tijd binnen heer. Er komt onweer aan. Een geluk dat zoiets net na het binnenhalen van de oogst gebeurt. Nog meer regen en alles was verzopen. Onze landerijen liggen op gelijke hoogte als de omringende moerassen ziet u, dat maakt dat wij met geen mogelijkheid overtollig regenwater kunnen afvoeren. Alles hier verzuipt, rot of schimmelt weg, of er is wel ongedierte dat eraan vreet. Ik zou mijn ergste vijand dit klimaat nog niet toewensen. Helaas wensten mijn vijanden mij dat wél toe. Ik moet mijn oude dagen noodgedwongen in Xefan te slijten. Voorheen was ik rentmeester van een landgoed in de buurt van het welgelegen Zhinu.’

    De Burukai legde zijn helm op de tafel, liep naar de zijkant van de tafel en ging daar op een andere kruk zitten dan degene die hem was aangeboden. Daar zat hij met zijn rug tegen de muur en kon zodoende in één oogopslag zowel de keuken, de voordeur, de trap, als de toog in de gaten houden. Hij zag er een beetje misplaatst uit, in zijn grote rieten harnas op dat veel te kleine krukje. Hij moest zijn voeten standvastig gespreid houden om niet van zijn zitplaats af te vallen.

    Een varkensachtige man in een vies wit schort kwam aangesneld. De man had kwabbige wangen, zijn kin leek nekloos over te lopen in zijn romp. Met stompige worstenvingertjes veegde hij zweet van zijn voorhoofd.
‘Ook dat nog, ook dat nog! Nou, het is me het avondje wel. Eerst laat die meid de soep aanbranden en nu hebben we ook nog een gast. Ik zie dat u al een kruk heeft gevonden. De soep is verpieterd door die rotmeid, dus een avondmaal zit er niet in. Ik wens u een goedenavond heer.’
De man wilde weglopen, maar bedacht zich.
‘Als u blijft, moet u natuurlijk wél wat nuttigen. Rijstewijn?’
De Burukai schudde zijn hoofd.
‘Wijn aanbieden aan een Burukai, ben je nou helemaal!’, riep de oude man tegen de herbergier. De herbergier keek hierop geërgerd naar de oude man en gebaarde met omslachtige bewegingen dat hij op moest hoepelen. De oude man gaf hier geen gehoor aan en wuifde de bewegingen weg alsof hij een vies luchtje van zich af sloeg. Daarop zette de herbergier zijn meest vriendelijke gezicht op en richtte zich opnieuw tot zijn gast.
‘Zeg toch gelijk dat u een Burukai bent! Een kopje thee heer?’ – de waard maakte een knikje dat voor een buiging door moest gaan. De Burukai knikte terug en gaf met zijn handen aan dat hij een grote pot wenste. Daarop haastte de herbergier zich naar de keuken.
‘Thee! Thee voor onze hoog geëerde gast! Het is een Burukai, we hebben een heuse Burukai in de zaak! Nou wat sta je daar nou? Ga water koken mens!’
    Fluisterend klonk er nog: ‘Wat is ook alweer een Burukai?’

© Apner-Meij

Grijze lijn

Heb je Liling gelezen?
Geef onderaan een reactie of review, voorzien van je naam.
(Het kan een uur tot een dag duren voor je post algemeen zichtbaar wordt.)

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s