apnermeij-header

K O R T   V E R H A A L

H E T   U U R   V A N   V A N   D E R   B E L T

De eerste keer dat de telefoon ging, was professor Van der Belt bezig met het opdienen van een gloeiend hete ovenschaal, waarvoor hij twee door ma gebreide pannenlappen gebruikte. Quiche met broccoli, een feestmaal, helemaal voor hem alleen!

‘Hè, verdorie’, mompelde hij in zichzelf. Hij zette de schaal op tafel en nam de hoorn van de haak. De beller kwam een ufo melden, een lichtgevende oranje maar liefst! Die hadden ze bij de kleinste sterrenwacht van het land – waar Van der Belt zijn nachtwake hield – nog niet eerder gehoord. Ongetwijfeld was het zo’n weerballon, of een verdwaalde vogel uit de tropen, zo speculeerde de professor met verdeelde aandacht. Geërgerd worstelde hij zich door alle beleefdheidsvormen heen die het voeren van een telefoongesprek met zich meebrengt. Met een laatste ‘jawel mevrouw, nog bedankt dat u belde’, legde hij de hoorn terug op de haak. Hoofdschuddend keek hij naar een binnen zijn vakgebied gangbare poster.

Toen zag hij vanuit zijn ooghoek de oranje gloed. Deze scheen door het dakraampje boven zijn hoofd, het enige raam in de kamer, uitzicht biedend op de zin van zijn bestaan. Bij de aanblik ervan werden de ogen van Van der Belt groter en groter, tot ze op de schoteltjes leken waarin hij niet geloofde. Die zogenaamde ‘ufo’ – besefte hij – kon wel eens de astronomische ontdekking van de eeuw zijn!

Dankzij zijn bijzonder ontwikkelde ruimtelijk inzicht zag professor Van der Belt direct dat hij op tafel moest gaan staan, wilde hij de bron van het schijnsel kunnen aanschouwen. De knappe Van der Belt stelde zelfs vast dat het fenomeen zich op een hoogtegraad van om en nabij de vijfendertig graden bevond, daarbij een maximale afwijking van nul komma vijf graden in acht nemend.
Tweespalt brak uit in het zwaar gevulde hoofd van de professor. Moest hij de jongens en meiden van het sterrenkundig genootschap bellen, of moest hij de telescoop in orde brengen, alles voor zichzelf houden? Ach, wat kon hèm het schelen! Die jongelui, met hun doorsnee interesse voor nevels en stelsels, ze kwamen en ze gingen. Zou één van hen ooit een zinnige bijdrage kunnen leveren aan de wetenschap? Nee, dan hijzelf; al meerdere artikelen geschreven over de glooïngen van Venus, door collegae bejubeld, maar helaas nooit gelauwerd. Deze ene waarneming kon hem de roem verschaffen waar hij zijn hele leven op wachtte… letterlijk ‘wachtte’, want wat kon men anders doen in de kleinste sterrenwacht van het land?

‘Afblijven Poekie’, maande hij de poes. Zijn feestmaal moest het veld ruimen, want een leeg tafelblad was noodzakelijk voor het opbouwen van de telescoop. Professor Van der Belt had het niet zo met die telescoop. De vorige, een antiek koperen – ooit in bezit geweest van een beroemd wetenschapper uit de negentiende eeuw – was vorig jaar geschonken aan het universiteitsmuseum in ruil voor vijf jaar subsidie. Nu moest hij het doen met zo’n modern exemplaar, eentje waarop het predikaat ‘lichtgewicht’ van toepassing was. Moertjes, draaiknoppen, uitschuifbare buizen; een heel gedoe om zoiets op te bouwen. Als je bijvoorbeeld eerst de poten uittrok – geheel volgens de richtlijnen van de gebruiksaanwijzing – dan moest je op je tenen gaan staan om bij de dop op de lens te kunnen.

Juist trok hij de eerste poot tot halverwege uit, of de telefoon rinkelde een tweede maal. De professor keek schuin omhoog naar het dakraam, waar zijn oranje wonder voorlopig prima leek te gedijen.
‘Vooruit dan maar’, zuchtte hij. Hij legde de telescoop plat op tafel en nam de hoorn op.
(geroezemoes aan de andere kant van de lijn)

‘Ja, ik weet er al van meneer. Uitzonderlijk oranje inderdaad, wat u zegt.’
(geroezemoes)
‘Nee ik heb het zelf nog niet mogen aanschouwen meneer.’
(geroezemoes)
‘Dat ga ik zeker doen meneer. Een goede avond meneer.’

Vervelend intermezzo – nog een poot uittrekken dan maar. Neigde het oranje inmiddels niet een ietsepietsie naar rood?
Riiing – daar ging dat kreng weer! In geen maanden toonde iemand enige interesse in sterrenkundige zaken, en nu moest iedereen hem hebben!
Nu was professor Van der Belt een keurige man. Hij zou het niet in zijn hoofd halen een telefoon te laten rinkelen. Mensen mochten hem eens onbeleefd noemen.

‘Ja?’ – verwelkomde hij de beller.
Door de hoorn schalde een opgewonden stem, tetterend in een mobieltje. Harde gitaarmuziek en gelal van mensen klonk op de achtergrond.
‘Meneer Belt? Met mij, Erik. Fantastisch zicht nietwaar? We zaten net met de hele club in de kroeg toen het verscheen. Marieke is naar huis om haar camera op te halen. Ik hoop dat ze op tijd is, want het is al aan het vervagen.’
‘Begrijp je niet dat je stoort?’, riep de professor: ‘Ik wil graag ophangen en de telescoop opbouwen!’
(geroezemoes, geklink van glazen, gevolgd door een daverend ‘hoeraaa’ in koor)
‘Hallo, Erik? Ben je daar nog?’
(geroezemoes, overstemmende gitaren)
‘Halloooo?’ – tuut tuut tuut… ‘Helaas is de verbinding verbroken. Wij verzoeken u vriendelijk het later opnieuw te proberen en…’
‘Poekie!’
Gebruikmakend van de verwarring, had het troetelkind van de sterrenwacht kans gezien het aanrechtblad te bereiken, waar zij zich als rechtgeaard roofdier op de quiche stortte. Vol opborrelende woede, de hoorn nog in de hand, zag professor Van der Belt zijn kans op een fatsoenlijk avondmaal aan zijn neus voorbij gaan.

Zeven telefoontjes later – waarin de professor eerst een oom afpoeierde, daarna zijn buurvrouw, daarna een man met een onverstaanbaar accent, tenslotte diverse verontruste of opgewonden mensen die hun verbazing over het fenomeen niet onder stoelen of banken schoven – lukte het de professor om de telescoop op te bouwen. Wankel stond het ding op tafel, met de lens gericht op het dakraam, waarachter de oranje gloed inmiddels vertroebelde tot een miserabel donkerrood. Met de motoriek van een harlekijn zwaaide de professor zijn been op tafel, gevolgd door een elleboog. Puffend hees hij zich overeind en keek in de lens, om tot de conclusie te komen dat de lichtbron inmiddels zeven komma vijf graden was gezakt. Hoe ver hij ook op zijn tenen ging staan, het lukte hem niet de anomalie in beeld te krijgen. Met veel moeite hees hij de stoel op tafel. Hij moest en zou… Riiing! – door de trilling die het telefoontoestel teweeg bracht, schoof de voorste poot van het statief over de rand. Lichtgewicht, dacht de professor nog net – met die antiek koperen was dit niet gebeurd.

Glasgerinkel, hopeloze ellende.

Riiing! – de professor hurkte neer en greep het rinkelend stuk plastic bij de hoorn.
‘Welke godsgruwelijke idioot waagt het mij op dit uur te stor…’
Gedurende vijftien minuten en zestien seconden – waarin zijn kans op eeuwige roem voor eeuwig doofde – wist professor Van der Belt zijn moeder ervan te overtuigen dat de wereld niet bezig was te vergaan.

© Apner-Meij

Advertenties