apnermeij-header

K O R T   V E R H A A L

D E   M E N S   W I L L E M

Iedere dag zat politiemedewerker Willem achter het bureautje dat net iets te krap voor hem was, waar hij politierapporten doorwerkte vol moord, mishandeling en doodslag, wat hem geregeld deed verzuchten: ‘Ach, beleefde ik ook maar eens iets’. Vaak legde Willem dan zijn werk neer, om gedurende een halve dag uit het raam te staren. Zijn uitdrukking verraadde daarbij niet waar hij aan dacht. Meestal kwam het er op neer dat hij helemaal niet dacht, of in ieder geval niet aan iets dat hij zich later zou herinneren.

Willem had een helder besef van tijd en werkdruk. Om de twee uur legde hij een politierapport van het stapeltje ongezien naar gezien, ongeacht of hij het rapport had gelezen. Soms had hij lukraak wat zinnen onderstreept. Willem had in de loop van jaren een neus voor verdachte zinnetjes ontwikkeld. Het betrof fouten in de bewijslast die eigenlijk geen fouten waren, maar die met wat fantasie wél als zodanig geïnterpreteerd konden worden. Het zag er in ieder geval uit alsof hier een heuse speurder op had gebroed, al moet hierbij worden opgemerkt dat niemand ooit de rapporten las. Er werd soms wel in gebladerd.

Naar buiten toe probeerde Willem de illusie te wekken dat zijn baan een nuttige dagbesteding betrof. Als iemand zijn kantoor betrad, dan opende Willem vlug een politierapport, waardoor het leek alsof hij druk bezig was. Zijn baas, de politiecommissaris, had allang door dat Willem de kantjes eraf liep, maar maakte zich er niet druk over.
‘Willem, kerel’, zo sprak hij laatst: ‘We komen er toch nooit aan toe om al die rapporten te lezen, dus hoe minder werk je verzet hoe beter voor ons.’
En zo was het maar net. Waarom zoeken naar bewijslast als de politie tóch nooit een zaak oplost?

Toch had Willem het er maar wat zwaar mee. Hele dagen stil zitten begon hem op te breken. Het kon niet anders of er moest iets veranderen aan zijn situatie. Zo kwam het dat hij op een dinsdag – tussen de koffie van half elf en de boterham met kaas van twaalf uur – weer eens uit het raam keek en zag dat er stilletjes een UFO voor zijn raam landde. Willem schrok op.
‘Huuuh’, riep hij verschrikt, en: ‘Wat is me dat?’

Allereerst kwamen daar de groene mannetjes uit hun vliegmachine gesprongen, een beetje zoals popcorn uit een oven. Ze maakten een keurig rond gat in het raam, waardoor ze naar binnen wipten. Al snel zat Willem vastgebonden in een dwangbuis. Met een blauwe straal plopten ze hem door het net iets te nauwe raamgat; hupsa, rechtstreeks de ufo in. Niet veel later steeg de ufo met Willem en marsmannetjes en al op, om een baan rond één van Jupiters manen te beschrijven.

Willem, nog niet bekomen van de schrik, werd ontdaan van zijn nauwsluitende trappelpak. Hij wilde zeggen dat hij een heuse medewerker van de politie was, maar toen hij omlaag keek naar zijn leren sandalen, zijn beige ribbroek en zijn zalmroze overhemd met gemorste koffievlek, besloot hij dat het niet veel indruk zou maken. De marsmannen zouden hem bovendien tóch niet kunnen verstaan.

Dat laatste viel mee. Marsmannen – al jaren sitcoms ontvangend op hun schotelantennes – bleken vloeiend Engels te spreken.
‘We come in peace’, sprak er één. De intentie leek goed.
‘But only if you cooperate’, sprak degene met het chirurgenmesje.

Dat mesje intrigeerde Willem op een onaangename manier.
‘Waarom ik?’, stamelde hij.
‘De mens Willem is onze proefpersoon’, sprak de marsman: ‘Jarenlang hebben we Willem geobserveerd, met camera’s verstopt in Willems pen, in Willems boterhamdoosje, in Willems koffieautomaat op de gang. Dankzij onze observaties zijn we tot de conclusie gekomen dat Willem de essentie van de mensheid belichaamt. De mensheid is waar wij onderzoek naar doen. Graag zouden we in Willem willen snijden om te zien hoe diep het zit.’
Hierop maakte Willem toch wel bezwaar.
‘Wees niet bevreesd mens Willem’, sprak de marsman: ‘Wij zullen de ethiek van de menselijke soort niet schaden. Uit de rapporten op Willems bureau, hebben wij kunnen opmaken dat mensen het als volkomen normaal beschouwen wanneer iemand gekidnapt wordt en een mes tussen de ribben krijgt. Uit onze observaties blijkt ook dat Willem er geen gevoelens van onbehagen bij ervaart om met dit soort zaken in aanraking te komen. Willem hoeft dan ook niet ongerust te zijn dat hij onmenselijk behandeld wordt. Blijf kalm, dan zal mijn collega diep en grondig snijden.’

Willem, die nu toch wat zweetdruppeltje begon weg te werken, viel op zijn knieën en begon om genade te smeken.
‘Ah, dat valt precies binnen onze verwachtingen’, sprak de marsman: ‘Uit Willems politierapporten vernamen we dat mensen het vanzelfsprekend vinden wanneer een slachtoffer om genade smeekt. Geen mens die daar ooit een moer om geeft. Het is prettig te mogen concluderen dat ons vooronderzoek degelijk is uitgevoerd. Zullen we dan maar?’
‘Wacht wacht!’, riep Willem toen de marsman het chirurgenmes ophief: ‘Statistisch gezien overleeft tachtig procent van de slachtoffers een aanval met een mes!’
De marsmannen keken elkaar even aan en knikten toen.
‘Willem heeft daar helemaal gelijk in’, zei de ene. ‘Wij zullen hem raken op een plek die tachtig procent kans op overleven biedt. De onderbuik dan maar? We moeten er overigens bij opmerken dat hierna Willems geheugen wordt gewist. Dat is zoals ons intergalactische protocol het voorschrijft’ – de marsman wilde het mes alweer opheffen.
‘Nee, nee!’, riep Willem: ‘U vergeet nog iets essentieels. Er dient een… ja, een rapport te komen! Als u mij zonder herinnering terug op Aarde zet, hoe kan er dan ooit een politierapport verschijnen over deze ontvoering?’

Dit was natuurlijk een ongelooflijk slimme zet van Willem. Hij zou een tastbaar bewijs van zijn alienontvoering meekrijgen en wereldberoemd worden. Hij was er zelfs een beetje trots op dat hij dit kon verzinnen.
De marsmannen gaven Willem gelijk. Ze hadden er niet eerder aan gedacht dat aardbewoners graag rapporten bijhouden van alles wat ze meemaken.
‘Wij respecteren de menselijke gebruiken’, sprak een marsman. ‘Nadat wij op humane wijze zinloos geweld hebben toegepast, zal hiervan een rapport worden opgesteld dat wij aan Willem meegeven. Hopelijk hebben wij hiermee alle bezwaren weggenomen?’
‘Nie.. niet helemaal’, stamelde Willem, maar het lukte hem niet om uit te leggen waarom. Zo kwam het dat hij niet veel later – zonder verdoving – een mes in zijn buik kreeg, naar voorbeeld van de geweldsdelicten op Aarde.

Dezelfde middag nog, zat Willem achter zijn bureau zonder zich iets van zijn avontuur te herinneren. Hij had een stekende pijn in zijn buik, wat vaker voorkwam na het nuttigen van een boterham met kaas, al kon hij zich niet herinneren een boterham met kaas genuttigd te hebben.
‘Ik voel me een beetje raar vandaag’, verzuchtte hij.

De titel van het bovenste rapport luidde ‘Ontvoering en messteek in de onderbuik’.
Willem legde het van de stapel ongezien naar gezien en staarde maar weer eens uit het raam.
‘Ach, beleefde ik ook maar eens iets.’

© Apner-Meij

Advertenties